Imágenes de páginas
PDF
EPUB
[ocr errors][merged small]

VOLLENHOVE.

In deel XXVII van dit Archief blz. 196-201 gaf de ijverige oud-pastoor J. H. Hofman, eenige korte berichten over het vroeger zoo katholieke Vollenhove in de dagen van bloei. Bij gebrek aan bronnen kon de ijverige man niet meer geven; daarom heb ik getracht het daar vermelde wat nader te onderzoeken en aan te vullen. De uitslag van dit onderzoek volgt hier.

I.

HET CONVENT CLARENBERGH.

1??

>>

Buiten de landpoort, aan den oostkant van Vollenhove, ligt een hoog stuk weiland, door de Vollenhovers nu nog genoemd Begijnenkamp. Op dien kamp stond vóór de z.g. Hervorming, en nog eenige jaren daarna, het »convent der susteren van den derden regulen St. Francisci, genaemd Clarenbergh.« Het stichtingsjaar van dit convent heb ik nog niet mogen vinden; maar ik meen eene niet te gewaagde onderstelling te maken, als ik aanneem dat het eene stichting is geweest der Vollenhoofsche devoten, uit de dagen toen Joannes van Ommen, een der meest geliefde leerlingen van Geert Groote, zich met eenige broeders van den ARGHIEF XXX.

[ocr errors]

Agnietenberg vestigde in het land van Vollenhove, en de stichting begon (1399) van het later zoo bekende klooster » Sint Jans-camp,« waar de broeders naclerhand (1409) den derden regel van St. Franciscus aannamen. Het is bekend, dat Geert Groote en zijne geestverwanten niet slechts zorgden voor de » devote broederen,« maar ook de »devote susteren« niet vergaten. Zulk eene vereeniging van devote susteren« d. i. eene vrouwenafdeeling var St. Jans-camp, is, meen ik, het convent Clarenbergh geweest.

De oudste brief over Clarenbergh, in het stads-archief van Vollenhove, is van het jaar 1418; hij geeft tevens

waarom het convent Clarenbergh is genoemd; daarom volgt hij hier in zijn geheel:

aan

Ic Wolter Morriaen inder tyt schulte to Wenepervene do kont allen luden myt dessen operieri brieff, dat vor my ende vor koernoten nabeschreven, ghecomen syu int ghericht, in eene ghehegheden heyinaal, dar ic to gerichte sat to Wenepervene inder banck, Rolof Weirensone ende Beerte syn echte wyf, inyt Rolof oren man vorscreven oren ghecoernen mombai, dien se dai koes myt hande ende myt monde, ende on dan ghegheven waert als recht was. Ende bekanden dan vor my, dat se vor hem eide vor ore erfghenamen vercoft hebben, erflic ende ewelic ghestedes erfcopes, den susteren van den derden oerden gheneten van penitentiën, wonende oppen berghe bider stadt Volleniio, ende horen nacomelinghen, twe mudde guedes pachtiogghen jaerlicker renten, Vollenhofscher mate, ut een ende twintich roden lants gheleghen op Sybeldeswolt inden kerspel van Wenepervene, dar Rolof ende Beerte voiscreven nn ter tyt op wonen; daer oestwert naest ghe. landet is Harinan Werrensone, ende westwert Alyt Budels lant, streckende van der .... up to veuewert, also veer als hem myt rechte to behoort, myt huse myt hove, also alst lant vorscreven ghelegen is, omme ene summe gheldes de hem vol ende al betaelt is, als se vor my bekanden. Ende dit sal wesen de naeste pacht na ene mudde rogghien dat de brueders oppen Zwolle dar voir myt rechte ut hebben, beholdelic oers rechtes de pacht van hebben. Ende Rolof ende Beerte vorscreven laveden daer, dat se of ore erfghenamendesen susterer vorscreven, dese twe mudde rogli vorscreven, jaerlix wal betalen sullen to sunte Marten inden winter, to leveren to Vollenho inder sisteren huys vorscrever. Ende wae:t dat se des nyet en deden, so moghen de susteren vorscreven of haer ghewaarde bode, dese twe mudde rogh vorscreven panden mytten daghelixen gherichte, tot haren redesten guede, war se dat hebben, alse ghereclite pacht ende ware luyden panden, voirt alse nu myt panden pleghet, de voir pacht ghepandet sijn. Ende Rolof eade Beerte vorscreven myt oirs mombars hant vorscreven, lietea dan vor my op in den selve gherichte, dese twe mudde roggh vorscreven, voir hem ende voir hore e.fgbenamien, ende verthegen dairvan, myt vertichnisse ende myt oplatinghe, myt haide ende iryt monde alse recht wijsde, tot behoef van susteren vorscreven ende ore nacomelinghen; also dat se, of ore erfghenamen gheen recht of ansprake an desen tweën mudde roggh vorscreveu beijolden ende hebben. Ende se laveden, dit lant vorscreven te hueden ende te waren voir een edel eyghen, voir hem ende voir hore erfghenamen ende voir al de gene de des to rechte commen willen, ho men dat myt rechte waren sal. Voirtmer sin vo, ważde, dat men dit land vorscreven, nyet verderven en sal myt graven, noch de huysinghe van de landen vorscreven af te breken ende te vercopeu. Al argelist ende cloechyet myer van den, daer men dessen briefi mede breken mogate, myt gheeste'iken of myt werliken rechte, utgesproken. Hyr waren an ende aver alse koernoten ende gherichtes lude, Johan de Dronde, Beer Dorke, Tideman Wikens ende anders gueder luden ghenoegh la orkonde der waerhyet ende om vestenisse wille, so hebbe ic Wolter Morriaen vorscreven, alse een richter, om bede wille van beyden sidea, myn seghel aen dessen brieff ghehaugen. Ghegheven int jaar ons Heren dusen vierhon. dert ende achttiene, des derden daghes in der Meerte.

(Aldus in het stadsarchief te Vollenhove. Het zegel van den schout is afgebrokkeld.)

Uit dit stuk blijkt dus, dat in 1418 de zustervergadering oppen berghe bij Vollenhove voldoende was gevestigd, om op eigen naam bezittingen en rechten te verkrijgen. Dat ze echter nog niet in alles als eene volmaakte kloostervereeniging was ingericht, blijkt uit een brief, waarvan spraak is in een soort van inventaris, vroeger gemaakt van het archief te Vollenhove. Daarin komt voor vermelding van een brief, waarbij Nicolaas Vordinck, cureit van de Sint Nicolaaskerk te Vollenhove, vergunt aan de geestelijke zusters van Clarenberg der derde orde van St. Franciscus, om een geestelijke te hebben, die haar de sacramenten toedient, biecht afneemt, absolutie verleent en zorgt voor de kerk of kapel enz., met een bevestigingsbrief van bisschop Frederik van Blankenheim

Daarbij worden voor deze brieven de jaren vermeld 1428 en 1429. De afschrijver moet zich bij die jaartallen hebben vergist, omdat bisschop Frederik op het einde van

1423 overleden is: misschien moest hier gelezen zijn 1418 en 1419.

De inventaris spreekt ook van een brief uit het jaar 1440, 3 Juli, waarbij Dirck van Baerle, cureit der St. Nicolaaskerk, aan Clarenberg een brief geeft van denzelfden inhoud als die van Nicolaas Vordinck. De bevestiging was gegeven door bisschop Rudolf van Diepholt.

De oorspronkelijke brieven heb ik niet meer in het archief gevonden; maar aangenomen dat die uittreksels, naar den inhoud, juist zijn, zou daaruit volgen, dat Clarenberg toch reeds bij het leven van loisschop Frederik een eigen kerk of kapel heeft gehad met een eigen priester, die later voorkomt onder den naam van » pater van Clarenberg.« Het geestelijk bestuur was daardoor geregeld, maar de verhouding tot het wereldlijk bestuur liet nog te wenschen over.

Die zaak is geregeld door het volgende stuk:

Wy Rodolf, by der ghevaden Gades Byscop 't Utrecht, maken kond allen luden, dat tusschen den gheesteliken luden ende susteren Sunte Clarenbergh van der derden oerden Sancti Franciscus, ghelegen bij Vollenhoe aen dye een sijt, ende de

van

« AnteriorContinuar »