Imágenes de páginas
PDF
EPUB

copus ; terwijl het Bullarium Trajectense, I onder no 169, 171, 183 drie gelijktijdige stukken geeft, die handelen over denzelfden persoon en hem »cantor noemen.

De koorbisschop van Utrecht droeg na den bisschop de 15e of laagste waardigheid in Utrechts kerk. Hij moest onderdiaken zijn, en had als aarts-onder-diaken een kleine streek, waarover hij de kerkelijke rechtsmacht voerde Zijne waardigheid stond immer ter vrije vergeving van Utrechts bisschop, mits deze haar schonk aan een der 40 domheeren.

Dit een en ander moest voorafgaan ten beter begrip van hetgeen hierna volgt.

't Lijdt geen twijfel, dat » Meyster Hendrik Scatter · een Nederlander is uit het bisdom van Utrecht. Aldaar ontmoeten we een Johannes dictus Scatter, clericus, staande als getuige bij eene overdracht van vast goed, in 1322 binnen Utrecht gedaan ten behoeve van het Domkapittel aldaar. (Drakenborch, Aanhangsel op de Kerkelijke Oudheden, bl. 315.) Verder treffen we aan een Nicolaas Scatter Nicolaaszoon, klerk van 't bisdom Utrecht, meester in de vrije kunsten en batselier in de geneeskunde, die in 1371 zich ook op de godgeleerdheid toelegde, toen van paus Gregorius XI aanspraak verkreeg op eene kanunniks proeve in de kerk van St Jan te Utrecht en vier jaren later in die aanspraak door denzelfden paus werd bevestigd. (Bullarium Trajectense, no 1933 en 22 22.) Het werkelijk bezit zou straks volgen. Ten jare 1382 vonden we Nicolaas Scatter geschaard in de rij der kanunniken van evengenoemde kerk en den 21 Maart van dat jaar tegenwoordig op het algemeen kapittel van Utrechts

oom

kerk. (J. J. Dodt, Archief voor Kerkel. en Wereldl. Geschied., III. bl. 111.) Naar allen schijn is deze een van den > Meyster«, dien we hier bespreken.

» Eene zuster, moei of nicht van hem zal zijn Trude Scatters, die in Juli 1392 den eigendom overdraagt van eene hofstede te Maarsen bij Utrecht. (S. Muller, Regesten van St Pieter, n° 625.)

Volge nu wat we over den achtbaren » Meyster « zelven vonden. Voor een goed deel werd het ons verstrekt door de vriendelijke goedheid van wijlen den hoogeerw Dr E. H. I. Reusens, gevierd hoogleeraar te Leuven. Nu we onzen dank hem niet meer kunnen betuigen, kome onze bede hem ten goede.

Hem wiens schets we hier trachten te geven, ontmoetten we de eerste maal in het jaar 1389. Toen namelijk werd ter hooge school van Keulen ingeschreven: Henricus Scatter alias Petri, Trajectensis diocesis. (Keussen, Dic Matrikel der Universität Köln, I. II. bl. 579.) Daarna toog hij ter bekrooning zijner studie naar Parijs. Met kloeken ernst heeft hij hier van zijne taak zich gekweten en een gelukkigen uitslag verkregen. Want een na ander won hij zijne lauweren, zoowel in de vrije kunsten als in de geneeskunde. Zelfs maakte hij er zulken opgang, dat hij weldra een leerstoel erlangde. Wat meer is: op 10 September 1410 koos de Parijzer Hooge School hem tot haar verheven rector. (Denifle et Chatelain, Cartular. Univers. Parisien., IV bl. 189. Straks zocht de kerk van Luik hem voor zich te

winnen en bood ten jare 1413 hem eene kanunniksproeve aan in haren Dom; 't geen tengevolge had, dat hij tot 1417 aldaar gevestigd bleef.

Omstreeks dien tijd moet hij kanunnik zijn geworden van de grijze Salvators-kerk binnen Utrecht. Daar althans ontmoeten we hem op 25 Mei 1425, toen de hoogwaardige Mathias bisschop van Biduane er de Relieken verhief der Heilige Gezellen van Sint Bonifaas. Als getuigen daarover stonden de kanunniken dier kerk, en de vier laatsten in de rij waren Hendrik Scatter, Walter Grauwert, Pieter van der Meulen en Zegebold van Bolswerd. (A. Matthaei Fundationes et fata, bl. 63.) Nemen we hier in aanmerking, dat de rangschikking placht te geschieden naar het aantal dienstjaren en vinden we daarna den jongeren Wouter Grauwert reeds op 4 Juni 1421 als lid van Sint Salvators kapittel vermeld (A, Matthaei, Analecta, III bl. 29), dan hebben we deugdelijk bewijs, dat H. Scatter, het oudere lid, destijds ook tot dien geestelijken kring behoorde. Ons wil dunken, dat hij omstreeks 1418 het bezit zijner proeve in Sint Salvator heeft verworven. Hij won er mede zijn eigen claustraal-huis, dat daar in de vrijheid der kerk van Oud-Munster lag. (Dit Archief, XII, bl. 152.)

Ook Utrechts Domkerk heeft om dien tijd zich beijverd, » Meyster Scatter« aan zich te verplichten, door hem te begunstigen met een harer kanunniksproeven, in 1423 opengevallen door den dood van heer Barthold van Wildongen. 1) Meer nog: in dienzelfden Dom erlangde de » Meyster« weldra ook de waardigheid van koorbisschop; doch het blijkt niet, dat dit in het jaar 1423 zij geschied. Mogelijk ontving hij die eerst na 21 Augustus 1424, toen Sweder van Culenborg de wettige bisschop van Utrecht zijn blijde inkomst« hield in de bisschopsstad. » Meyster Henrik

>>

1) Zie hierachter blz. 310.

behoort althans tot des bisschops trouwe aanhangers, die omstreeks den aanvang van Wijnmaand des jaars 1426, toen de stad Utrecht onder interdict lag, uitweken, om te Arnhem zich te vestigen. Op de lijst dier uitgewekenen staat zijn naam vermeld, met bijvoeging der waardigheid van koorbisschop. (Matthaei Analecta V. bl. 496.)

Van Arnhem schijnt heer Scatter spoedig te zijn vertrokken naar Luik: want in 1428 zien we hem daar bevorderd worden tot groot-zangmeester, een der waardigheidsbekleeders in de Luiksche Domkerk. Lang evenwel schijnt hij daar niet te hebben vertoefd. Want in 1430 vinden we hem terug in ons noorden.

Even na H. Drie-Koningen van genoemd jaar had Roelof van Diepholt, die om den Utrechtschen zetel dong, bijgestaan door zijne aanhangers, een getroffen met Philips den Goede graaf van Holland. Tengevolge daarvan moeten er ook onderhandelingen zijn gevoerd ter heeling der droeve scheuring in Utrechts bisdom. Naricht daarover komt voor bij J. J. Dodt, Archief v. Kerkel. en Wereldl. Geschiedenis van Utrecht, II, bl. 223, no. XLI. 't Is een stuk uit gemeld jaar 1430 1), niet lang, zooals schijnt, na O. L. VrouwLichtmis. Toen werd er te Woerden bij kanselier en raden van Holland eene dagvaart gehouden ter vereffening der geschillen. Daar bevonden zich reeds de vertegenwoordigers der stad Utrecht: doch begeerd werd ook de aanwezigheid der aanhangers van bisschop Zweder; daarom schreven de afgevaardigden van Utrecht er een vrijgeleide voor de eerberen meyster Beernt Uten Enghe ende meyster Henric Schatter canonieken ten Doem t'Utrecht, voor den tijd van »achte daghe lang naest comende. Van de vrucht dezer dagvaart vonden we geen verder bericht.

zoen

1) Het stnk mist jaar- en dagteekening, doch valt blijkbaar in 1430, dit jaar van Lichtmis tot Lichtmis gerekend. Alleen dan kunnen de heide Utrechtsche burgemeesters Aernt van Amerongen en Herman van Steenre samentreffen met den »postulaet« Roelof van Diepholt. Wel komen genoemde twee burgemeesters ook voor in het jaar 1434, maar dan valt er geen samentreffen met den »postulaet«; want deze was in 1433 reeds »elect en confirinaets en hij droeg den mijter minstens van 28 Febr. 1434.

Intusschen naderde alras de wintermaand van het jaar 1431, in ’t midden van welke de H. Kerkvergadering te Basel werd geopend. Hier ontmoeten we in den aanvang ook den achtbaren Meester, over wien we hier spreken.

Daar zijn er die hem houden voor een afgevaardigde van Leuvens Hooge School. Ten onrechte, naar ik meen. Toen heer Scatter te Basel vertoefde, had hij met gemelde hooge school nog geen nadere betrekking aangeknoopt. Blijkbaar was hij ter kerkvergadering getogen, hetzij als afgevaardigde Utrechts bisschop, die met veel moeilijkheden worstelde, hetzij als pleitbezorger van Utrechts Domkapittel, dat tobde met Herman Lockhorst zijnen deken. Tegen een prelaat der Utrechtsche Domkerk was een ander prelaat dierzelfde kerk wel de beste afgevaardigde. Waarover de dingen daar liepen, blijkt ons niet met juistheid, maar de uitslag was, dat Herman van Lockhorst door de vergadering werd afgezet en Hendrik Scatter werd aangesteld tot diens opvolger. (Burman, Jaarboeken, I, bl. 434, en Drakenborch, Aanhangsel op de Kerkelijke Oudheden, bl. 62.) Blijkbaar is deze

uitnemend man geweest, bijzonder vaardig in den omgang met anderen: want de kerkvergadering bij haren aanvang droeg hem de

van

een

« AnteriorContinuar »